|
De domste woorden door volwassen uitgevonden voor jongens zijn 'hangjongeren' en 'rondhangen'. Het geeft aan hoe weinig veel volwassenen (willen) weten van de wereld van jongens (en meisjes). Bijna altijd worden deze woorden in negatieve zin gebruikt. De discussie van volwassenen in de publieke opinie over jongeren is de laatste jaren niet om aan te horen. Meer blauw op straat, collectieve en hogere straffen, sneller inzetten van de ME, contracten met ouders over opvoeding, meer geld voor jongerenwerkers. Maar geen enkele serieuze poging te begrijpen waarom jongeren zich gedragen zoals ze zich gedragen. Negatieve stereotyperingen hebben we voldoende, de media staan er bol van. Wel hebben we onze mond vol van zinloos pierewaaien, hanggroepjongeren, eindeloze verveling waarmee het stigma wordt bevestigd en wij volwassenen ons onbegrip vergroten. Natuurlijk zijn er voorbeelden van jongensgroepen die overlast veroorzaken, criminele activiteiten ontplooien, gewelddadig zijn en zelfs jeugdbendes vormen. Maar dat doet niet af aan de noodzakelijkheid en onmisbaarheid van peergroepen om volwassen te kunnen worden. Jongens voelen zich door hun hormonale en lichamelijke veranderingen tijdens hun volwassenwording (puberteit en adolescentie) vaak onbestemd. Zij hebben last van onverklaarbare stemmingswisselingen (mood swings) en zoeken naar hoe zij zich in bepaalde situaties willen en horen te gedragen. De enige momenten dat zij zich niet een buitenbeentje voelen is onder elkaar. Wie de literatuur leest over de betekenis en noodzaak van 'peergroups' (vriendenkringen) voor jongens zal de woorden rondhangen en hangjongeren, hangplek niet gauw meer in de mond nemen. In peergroepen scheppen zij met leeftijdgenoten geborgenheid, onvoorwaardelijkheid en wijkplaatsen om zich te kunnen ontwikkelen. Rondhangen zonder volwassenen moet! Jongeren zijn evenwichtskunstenaars. Zij balanceren op het scherp van de snede met vele behoeften en belangen in hun dagelijks leven. Voor jonge mannen, meer nog als voor meisjes, is het dagelijks verkeren in een peergroep zeer belangrijk in hun overgang naar volwassenheid. In 1985 gebruikte de pedagoog Jan Hazekamp voor het eerst de term ‘rondhangen’. Hij pleitte voor een grondige herwaardering van het rondhangen van jongens en meisjes in groepen en waarschuwde voor onbegrip en marginalisering. Op dit moment wordt term hanggroepen gebruikt maar beide termen doen geen recht aan de Engelse betekenis van zelfstandig naamwoord ‘peer’: gelijke. Het werkwoord ‘peer’ staat onder andere voor evenwaardig zijn en doen. In de studie van Hazekamp wordt een uitstekende, hoewel geen cultuurvergelijkende, poging gedaan om de belevingswereld van jongeren in groepen te begrijpen. De betekenis van peergroepen wordt zowel onderschat als niet begrepen. Tegenwoordig in onze moderne stedelijke situaties verschillen de peergroepen nogal van de groepsvorming onder meisjes, hoewel de laatste jaren zich incidenteel kopiërend gewelddadig gedrag van groepen meiden voordoet. In een cultuurvergelijkend kader valt vooral de complementariteit van groepen jongens en meisjes op. Bij allerlei feesten, evenementen en jaarlijks terugkerende rituelen waren en zijn de groepen meiden en jongens voortdurend met elkaar in de weer. Het groepsgedrag speelt zich of onder de ogen of uit de ooghoeken van de volwassenen. Hofmakerij, uitproberen van allerlei grenzen, erotische en seksuele ervaringen opdoen, flirten en vechten om de gunsten van een meisje of ter verdediging tegen jongens uit een andere (buurt)gemeenschap zijn voortdurend terugkerende activiteiten ter voorbereiding op de volwassenheid. Jonge mannen hebben in matenschappen de mogelijkheid om onderling en tegen andere groepen hun individuele kracht te meten in het ontwikkelen van hun volwassen identiteit. Dit is niet alleen fysiek en niet alleen om imponeergedrag te oefenen voor later. Vele niveaus van communicatie en onderhandeling worden geoefend in jongerengroepen. Veel jongeren vormen in de matenschappen de basis voor hun mannelijke identiteit. De orthopedagoog Jan van de Ploeg publiceerde in 1995 een artikel over de kenmerken van de peergroep. Hij concludeert dat de peergroep niet per sé een tegencultuur van het gezin behoeft te zijn. De peergoep is vooral een laboratorium om, los van het gezinsmilieu, uiteenlopende kwaliteiten van jongens tijdens de overgang naar volwassenheid tot uitdrukking te brengen. Vriendschappen ontstaan in de peergroepen zijn uiterst belangrijk en niet zelden voor het leven. ‘Erbij horen of eruit liggen’ kunnen invloed hebben op de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Opbouw van sociale netwerken buiten het gezin is eveneens een belangrijke functie van peergroepen. Een van zijn conclusies is dat het vroegtijdig in kaart brengen van matenschappen een belangrijke rol kan spelen in preventieve jeugdzorg. (van de Ploeg 1995, 83) De socioloog Peter van de Linden concludeert in een artikel over vriendschap onder jongens dat naarmate zij zich meer op een seksuele relatie met één meisje richten de verbinding met de peergroep en andere individuele jongens verminderd. (van der Linden 1995, 373) |